Herinneringen – Maurits Hogo Dienske

Maurits Hogo Dienske (1943) was voor zijn pensionering vijfendertig jaar wiskundeleraar. Hij begon in 1980 met zen en studeerde twaalf jaar bij Prabhasa Dharma zenji. In 1999, vlak voor haar sterven, heeft zij hem tot leraar van het Internationaal Zen Instituut benoemd.

 

Herinneringen aan Roshi

van Maurits Hogo Dienske

Calligrafie van Prabhasa Dharma zenji

Calligrafie van Prabhasa Dharma zenji

Mijn eerste sesshin met Roshi was in het najaar van 1986. De laatste was in zomer 1997.

 

De manier waarop Roshi zen beoefende en overdroeg, had drie opvallende kenmerken. Ten eerste had ze een voorliefde voor koan-studie. Ze putte uit een breed gebied: eenvoudige beginnersvragen, vragen om je in de natuur in te leven (wees een boom, wees een mier), en koans uit de klassieke verzamelingen. Deze gaf ze niet in een vaste volgorde op. Ze had er slag van steeds iets te kiezen wat op dat ogenblik bij een student paste. Aan de ene kant was ze streng, want de manifestatie van een koan moest uit samadhi voortkomen. Met minder nam ze geen genoegen. Aan de andere kant had ze een groot gevoel voor de moeilijkheden van studenten. Wanneer een manifestatie duidelijk maakte dat de student een persoonlijk probleem doorzien had, keurde ze het antwoord goed, ook al bestreek het niet alle aspecten van de koan. Haar intuïtie en haar slagvaardigheid waren wonderbaarlijk. Meestal doorzag ze van tevoren wat een student zou gaan doen.

 

Een tweede kenmerk was dat ze in haar teisho’s zowel de beoefening van zen als de theoretische achtergrond benadrukte. De ene keer vertelde ze hoe je een bezem in handen neemt en hoe je naar het geluid van de wind kunt luisteren. Ze sprak over lichaamshouding en adem en aandacht, over geduldig zijn en niet oordelen. De andere keer kon ze met merkbaar genoegen filosoferen over het gelijktijdig verwerpen van bestaan en niet-bestaan, wat ze aan de prajña-paramita-soetra’s ontleende. Daarmee onderstreepte ze het feit dat woorden niets aan de directe ervaring toevoegen. Hierdoor verenigde Roshi twee kanten van zen: de stilte van meditatie en de toepassing in het dagelijks leven. Een van de laatste dingen die ze tegen mij zei was: Breng altijd zowel het absolute als het relatieve ter sprake.

 

Sumi-e van Maurits Hogo Dienske

Sumi-e van Maurits Hogo Dienske

Een derde kenmerk was dat ze voortdurend iets veranderde. Zelden hadden twee sesshins precies hetzelfde programma – en ook de uitvoering van de theeceremonie werd gewijzigd. Soms protesteerde de meditatieleider: Dat deden we toch altijd anders, waarop Roshi met grote beslistheid antwoordde: Nee, het ging altijd zo. Het was een impliciete cursus in vergankelijkheid. Maar het had ook andere kanten. Roshi zocht voortdurend naar manieren om de boodschap van het Boeddhisme aan de problemen van onze samenleving aan te passen. Daardoor schoof ze geleidelijk van de Japanse achtergrond, die ze van haar meester Joshu Sasaki Roshi geleerd had, door naar West-Europa. Haar strengheid werd ronder, niet alle studenten werden aan koanstudie onderworpen en ze deed pogingen om ons met vipassana vertrouwd te maken. Het is een ontwikkeling die nog altijd doorgaat.

 

Een paar van haar uitspraken zijn in mijn herinnering blijven hangen. Een ervan is: Het is geen probleem dat je een ego hebt. Het probleem is dat je het niet kunt loslaten. Een student vroeg eens: Roshi, bestaan fouten? Ze antwoordde met haar gebruikelijke gevatheid: Fouten bestaan niet, maar ze worden wel gemaakt. Aan het eind van een sesshin gaf ze als raad mee: Maak eerst jezelf gelukkig. Maak daarna alle anderen gelukkig. Dat zijn mijn beroemde laatste woorden. En ze zei een keer in een teisho: Voor mij is het één logisch geheel. Dat laatste vond ik zeer bemoedigend. Veel leraren benadrukken dat zen irrationeel en niet met het verstand te doorgronden is. Ik wantrouwde dat en daardoor was haar uitspraak een opluchting.

 

Roshi was een schitterende verschijning die nooit om een woord verlegen zat. In elke situatie viel ze op, zelfs al door de manier waarop ze zich bewoog. Ze kon met innig genoegen zeggen dat ze de beste van iedereen was. Ik nam haar die ijdelheid niet kwalijk, want ten eerste zei ze het nooit geringschattend, ten koste van iemand anders, en ten tweede was het gewoon waar, ze was ook altijd de beste. Ze was opgeleid als kunstschilder, ze heeft de kalligrafieën in het boek Boeddha ben je zelf gemaakt, ze schreef gedichten en ze had een groot persoonlijk charisma.

 

Roshi is de enige mens die ik onvoorwaardelijk bewonderd heb. Het was heel bijzonder met haar te werken en haar invloed te ondergaan. Er viel vaak meer te leren van haar optreden dan van haar woorden. Het werken met haar heeft voor mij het beeld bepaald van wat zen is. Tegelijkertijd was er zo’n verschil in persoonlijkheid en capaciteiten dat ik nooit gehoopt heb op haar te lijken.

Voorpagina voorjaar 2019

Op 24 mei 1999, op de dag van het verschijnen van dit nummer precies twintig jaar geleden, overleed Gesshin Myoko Prabhasa Dharma zenji, bij leven Roshi genoemd. Zij is de stichteres van onze sangha en van het zencentrum Noorder Poort. We wijden dit nummer aan haar. We hopen dat degenen van jullie die haar niet gekend hebben, zich een beeld kunnen vormen van deze bijzondere en inspirerende zenmeester.

We vallen samen met de adem van het universum; waarin alles één grote beweging is van inademen en uitademen.

Dit moment is een geschenk

Ik deed het huishouden, kookte vaak voor haar, was haar secretaresse en haar chauffeur. Dat alles hoorde bij de training, wás de training.

Jiun roshi: Leven met Prabhasa Dharma

Soms protesteerde de meditatieleider: Dat deden we toch altijd anders, waarop Roshi met grote beslistheid antwoordde: Nee, het ging altijd zo.

Herinneringen aan Roshi van vier leerlingen 

Dat was een klus! Dankzij een grote gift kreeg de Noorder Poort een pannendak. Ondertussen werden de kamers opgeknapt.

Twee fotoreportages

Nu nog nieuwe bedden en matrassen in de kamers.

De Vriendenstichting vraagt om jullie hulp

Van niets meer weten

Diep en onbewegelijk

Zijn als stilstaand water

Stilte

Elk moment is een geschenk, maar...

Cartoon van ArdAn

Kikkervisjes, bloeiende meidoorn, jonge sla en zelfs een kievitsei: het is lente in de landschapstuin

Het Dharmahuis organiseert van 12 tot 16 augustus, in een verwilderd berkenbos met veel water eromheen, een stille week in de natuur: Nieuws van het Dharmahuis

Hans Reddingius schreef een tekst bij het schilderij 'Toekomst?' en won daarmee een prijs. In zijn termen: Haibun met tanka.

 

Toekomst: schilderij met tekst

Met dit stukje won Hans Reddingius een schrijfwedstrijd, verbonden aan een tentoonstelling van amateurschilders in het dorp waar hij woont. Haibun en tanka zijn beide vormen van Japanse dichtkunst. In een haibun zijn proza en poëzie met elkaar vermengd. Een tanka is een vijfregelig vers, met 5-7-7-5-7 lettergrepen.

Schilderij: Toekomst?

Haibun met Tanka

door Hans Reddingius, naar aanleiding van het schilderij ‘Toekomst?’ van Elsina Wijnstok

 

“Luister Śāriputra! Alle verschijnselen worden gekenmerkt door leegte; hun ware natuur is geen geboorte, geen dood, geen zijn, geen niet-zijn; ze zijn rein noch onrein en nemen toe noch af. Daarom zijn lichaam, gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn leeg van een afzonderlijk zelf.”

Uit de Hartsoetra.

 

Toekomst?

De toekomst bestaat niet. Is leegte, is wat zou kunnen maar nog niet is. Ruimte voor mogelijkheden. Wat je wel kunt zeggen: ruimte zal er zijn. Lucht zal er zijn. Water zal er zijn. Beweging zal er zijn. Ruimte, lucht, water, beweging. Van daaruit wordt ieder moment iets aan het verleden toegevoegd dat er nog niet in was. In de verte zal dan iets vervagen dat er wel in was.

 

Ik zie verf op doek
en denk wolken en water,
klotsende golven.

 

Eens liepen wij langs het strand,
maakten plannen voor later.

 

Haiku’s: stilte

Hans Reddingius (geboren in 1930) raakte in de jaren zeventig van de vorige eeuw geboeid door de Japanse versvorm haiku. Hij is al veel jaren actief lid van de Haiku Kring Nederland, en was zeven jaar lang hoofdredacteur Nederland van het Nederlands-Vlaamse haikutijdschrift Vuursteen. Sinds 1998 beoefent hij Zen, onder meer in retraites op de Noorder Poort. Hij verzorgt voor ZenLeven een haikurubriek.

Stilte

Stilte – wat is dat eigenlijk, en wat voor betekenis heeft stilte voor je? Interessante vragen, want het antwoord: “stilte is de afwezigheid van geluid” voldoet niet helemaal. Als dat alles was konden we immers meteen ophouden, want in die zin is er vrijwel nooit stilte en kan die dus ook nauwelijks betekenis hebben. Nu ik dit schrijf hoor ik het ruisen van de wind buiten en het tikken van regen, en ik hoor het getik op mijn toetsenbord. Toch zit ik, vind ik, in een stille kamer.

 

Ruisen van water

en ruisen van bladeren –

de stilte daarin

Inge Lievaart[1]

 

Vaak valt stilte op als contrast met een hevig geluid dat er even was.

Vreemd door de stilte

een roffelende stortbui –

vreemd weer de stilte

Inge Lievaart[1]

Wat even aanzwelt

zet zich om in de stilte

van even ervoor

W.J. van der Molen [2]

Je kunt stilte ook ruimer opvatten. Niet alleen als de afwezigheid van opvallend of storend geluid, maar ook als het ontbreken van elke agitatie: beweging, prikkels, opwinding, dynamiek. Maar net als met geluid: zelfs in beweging kan er iets van stilte zijn. Heel raadselachtig, maar dat is het mooie ervan.

 in het avondlicht

lopen langs het stille meer

– bloesemgeuren

 

Adri van den Berg[3]

Het water valt maar

staat ze stil, de waterval?

   Roerloos de bomen

Jac Vroemen[4]

Ik denk dat veel mensen, en zeker dichters, behoefte hebben aan stilte. We zijn in ons leven aldoor bezig met van alles en dat is ook nuttig en nodig, maar waar het echt om gaat, valt pas te ontdekken als we even ophouden met reageren op prikkels, met maken van plannen, met het doen van o zo noodzakelijke boodschappen.

in de volle trein

zoeken naar de stilte

in mijzelf

Carla Mostert[5]

Van niets meer weten

Diep en onbewegelijk

Zijn als stilstaand water

W.J. van der Molen [2]

[1] Een spoor dat vervloeit. De Beuk, Amsterdam 1988

[2] W.J. van der Molen, Een vijver in zee.’t Schrijverke, ‘s Hertogenbosch 2009

[3] Adri van den Berg, Hoog gras. Radijs V, Marginale uitgeverij Adana, Haren 2012

[4] Jac Vroemen, Stil, de vleugels wijd . Haiku, senryū en tanka. De Beuk, Amsterdam 1996

[5] Carla Mostert, in deze stilte. ’t Schrijverke, ’s Hertogenbosch 2009

Herinneringen aan Roshi

Herinneringen aan Roshi

Prabhasa Dharma zenji, bij leven door haar leerlingen altijd aangesproken met Roshi, heeft bij velen een diepe indruk achtergelaten.

Hoe was de ontmoeting met haar voor een aantal mensen uit onze sangha? Wat heeft ze voor hen betekend? ZenLeven vroeg het aan een trouwe vrijwilliger van de Noorder Poort, aan een kunstenares, aan een van onze zenleraren en aan een unsui (zenmonnik) die uiteindelijk Vipassana-leraar is geworden. De vier artikelen geven een impressie van verscheidene kanten waarbij overeenkomsten én verschillen in het oog springen.

De bijdragen bevatten zen-termen die niet iedereen zal kennen. We hebben tooltips toegevoegd met uitleg.

Maurits Hogo Dienske was voor zijn pensionering vijfendertig jaar wiskundeleraar. Hij begon in 1980 met zen en studeerde twaalf jaar bij Prabhasa Dharma zenji. In 1999, vlak voor haar sterven, heeft zij hem tot leraar van het Internationaal Zen Instituut benoemd.

Lees zijn herinneringen

Doshin Houtman werd in 1989 leerling van Prabasha Dharma roshi en begon met koanstudie in de Rinzaitraditie. Sinds 2002 is zij dharmaleraar in Vipassana en zen.

Lees haar herinneringen

Suus Dharma Kala Scheller  is beeldend kunstenaar en deeltijd psycholoog-psychotherapeut. Ze werkt vaak  met gezinnen en beeldende middelen. Suus is veelvuldig schenkster aan de Noorderpoort en deelneemster aan werkweken en daily life-sesshins. Dharma Kala betekent Goddess-Moon of the fine arts.

Lees haar herinneringen

Cees Dharma Pala de Wit woont in Heerenveen en werkt als vrijwilliger op de Noorder Poort, en wel als hoofd van de Technische Dienst. Hier naast het bord bij de ingang van het centrum, dat hij heeft gemaakt. We konden helaas geen foto vinden van hem samen met Prabhasa Dharma roshi. Hij oefent al meer dan dertig jaar zen.

Lees zijn herinneringen

Leven met Prabhasa Dharma roshi

Prabhasa Dharma roshi was een sublieme zenmeester. Dit komt naar voren in het biografische verhaal dat Jiun roshi kort na haar dood over haar schreef en ook in de herinneringen van haar leerlingen elders in dit nummer van ZenLeven. In dit interview van Myoko met Jiun roshi ligt de nadruk ergens anders op: over hoe het was om onder haar te trainen en met haar te leven.

PrabhasaDharma en Jiun roshi

Leven met Roshi Prabhasa Dharma

Hoe heb je Prabhasa Dharma ontmoet en hoe ben je haar leerling geworden?

In 1982 was ik op vakantie in Sri Lanka. Ik kwam daar voor het eerst in aanraking met boeddhisme en met boeddhistische mensen, en wat mij opviel was dat de mensen daar ontzettend aardig waren, met een heel open, vriendelijk gezicht en een grote bereidwilligheid naar anderen toe. Toen ik terug kwam sprak ik daarover met vriendinnen, en twee van hen, die zelf zen beoefenden, raadden me aan dat ook te gaan doen. Dus ik begon met een introductiecursus bij Rieks Groenhout in de Kosmos in Amsterdam. Daar hing op een dag een aankondiging van een lezing van een zenlerares uit Amerika, Gesshin osho heette ze toen nog, en die vriendinnen namen me daar mee naar toe. Dat was in oktober 1982.

 

Ik werd door die lezing geraakt, door Roshi vooral, door haar verschijning, door de manier waarop ze antwoord gaf op vragen. Er waren twee dingen in het bijzonder die grote indruk maakten, en die me duidelijk maakten dat er nog iets meer is dan dat wat zichtbaar is. Ze had het over sterven en toen liet ze zich ineens vallen alsof ze dood was. Dat deed ze op zo’n bijzondere manier - dat deed iets bij mij, al is het moeilijk te zeggen wat precies. Het tweede moment was toen ze tijdens haar lezing iets demonstreerde door met de kleppers te slaan. Ook dat deed iets bij mij. Nogmaals: ik weet niet precies wat maar het was voor mij in elk geval wel aanleiding om contact met haar te willen houden.

 

Ze gaf kort daarna een sesshin in Oostenrijk en daar zijn we toen met zijn drieën heen gegaan. Dat was in een centrum in aanbouw. Het was november en erg koud, en de verwarming deed het nog niet dus we zaten echt te kleumen. Voor mij was het extra erg omdat ik heel veel pijn had bij het zitten. Ik had nog nauwelijks gezeten en toen ineens een sesshin, dat was enorm afzien. Ik heb met heel veel haat naar de meditatieleider zitten kijken: waarom zie je niet dat ik pijn heb en waarom sla je niet op dat belletje? Toch was ik wel zo gedisciplineerd dat ik behoorlijk stil heb gezeten, denk ik.

 

We waren in die tijd alle drie fervente rooksters en dat mocht toen nog overal binnen. We zaten dan ergens op de overloop op een bankje gewikkeld in dekens te roken, en zo zijn we die sesshin een beetje doorgekomen.

 

De toespraken van Roshi waren natuurlijk in het Duits daar in Oostenrijk. Ik kon het niet allemaal volgen maar er waren wel steeds dingen die me heel erg aanspraken: als ze sprak over het ware zelf, over de boeddhanatuur. Op de tweede of derde dag durfde ik ook naar het persoonlijk onderhoud met haar te gaan en toen gaf ze me gelijk ook al een koan: wat is je ware zelf als je een roos ziet. Ik heb daar in de volgende paar interviews met haar aan gewerkt maar dat leverde natuurlijk nog niet zoveel op. De laatste keer dat ik bij haar was, wilde ze me na afloop een hand geven, zo van tot ziens. Ik hield een beetje in en zei: ik heb hele koude handen. En zij: koude handen is niet erg, dat betekent dat je een heel warm hart hebt. Nou, toen was ik helemaal verkocht, ik dacht dit is het gewoon, dít moet ik doen.

De eerste retraite in de woestijn in 1984

Vanaf dat moment wist ik dat ik fulltime bij haar wilde gaan trainen. We hadden daar ook al snel vrij veel contact over. Maar het kon niet meteen. Ik had een baan, een eigen huis en twee katten. En Roshi had ook niet meteen ruimte voor mij. Ze was toen nog niet lang weg bij haar meester Sasaki roshi en had nog geen eigen woning. Ze had een kamertje gekregen in het International Buddhist Meditation Center, de lekenafdeling van de Vietnamese tempel in Los Angeles. Ik ben daar later veel geweest dus ik ken het heel goed. Het was heel simpel en ook heel vies, het hele huis was één grote kakkerlakkenbende. Terwijl zij ontzettend schoon was. Ze moest gebruik maken van de gemeenschappelijk badkamer en die was echt heel vies, heel vies. Voor ze hem ging gebruiken maakte ze die dan wel schoon, maar dat was vechten tegen de bierkaai.

 

Ik ging er na die eerste sesshin in Oostenrijk wel meteen vol in; ik deed zo veel mogelijk sesshins - als ik tenminste vrij kon krijgen van mijn werk, wat niet altijd lukte. Ik gebruikte er al mijn vakantiedagen voor; die vakantie in Sri Lanka was mijn laatste in jaren. Ik kreeg gelukkig ook veel steun van mijn baas. In ‘84 was de eerste woestijnretraite. Die duurde zeven weken en ik kreeg vijf weken vrij.

 

Begin ‘85 had ik mijn huis verkocht en mijn katten ondergebracht en zegde ik ook mijn baan op. Roshi had vanaf augustus ‘85 een appartement gehuurd naast haar ouders, waar ik dan in elk geval ook terecht zou kunnen, samen met iemand die voor haar ouders zou gaan zorgen. Tot die tijd heb ik toen eerst nog op de Theresiahoeve gewoond. Die zomer reisde ik al wel met Roshi mee door Europa, waar ze sesshins gaf in Nederland, Duitsland en Engeland; later kwam ook Spanje daarbij. En daarna ging ik dus naar Amerika.

Hoe was je training bij haar?

Het was uitermate intensief alleen al door het feit dat ik heel veel tijd met haar doorbracht. Eerst zat ik in het appartement naast haar ouders en zij woonde in die kamer in het IBMC, ongeveer een half uur rijden door Los Angeles. Ze kwam veel bij haar ouders op bezoek en ik werd ook heel vaak opgehaald en meegenomen naar het IBMC. Ze had heel veel kennissen in de boeddhistische wereld en ook in de yogawereld, ze ging dan naar die tempels toe of naar het yogacentrum, en ik werd overal mee naartoe gesleept. Ik denk dat ze het ook leuk vond om daar te verschijnen met een assistente, dat geeft natuurlijk ook een soort van allure.

 

Omslag tijdschrift Zen

Later had ze een eigen appartement waar ik ook kwam wonen. In die tijd zijn we het tijdschrift Zen begonnen. Ik had daar een kleine slaapkamer die ook dienst deed als kantoortje. Ik deed het huishouden, kookte vaak voor haar, was haar secretaresse en haar chauffeur. Het organiseren van de sesshins, de administratie, het maken van flyers, dat lag allemaal op mijn bureau; zij deed alleen de laatste controle. Dat alles hoorde bij de training, wás de training.

 

Ze was ontzettend streng. Zij was zelf getraind door Sasaki roshi en dat was, denk ik, traditioneel Japans streng, dat wil zeggen dat je je totaal ondergeschikt maakt aan de meester. En zo trainde ze mij ook. Dat betekende altijd ja en amen zeggen, doen wat er gezegd wordt, niets vragen. En dat op allerlei fronten: er wordt gezegd hoe je moet koken, hoe je moet schoonmaken, wanneer je vrij hebt of niet. Als je geroepen wordt moet je onmiddellijk komen. De hele dag, alle vierentwintig uur, was geregeld.

 

Voor mij was dat in zekere zin gemakkelijk want ik kwam uit een gezin waar het niet per se heel streng was maar we hadden wel heel duidelijke regels, en een zekere discipline. Dus het was niet zo moeilijk om dat op te brengen. Ik voelde me er ook niet minder door. Maar er waren ook aanvaringen. Ik was soms dagenlang koppig, want daar was ik heel goed in, en Roshi ook. Niet zelden wilde ze gewoon even helemaal alleen gelaten worden en dan werd ik volkomen genegeerd. Dan kwam ik bijvoorbeeld haar kamer binnen, dan zat ze achter haar bureau te werken, en dan zei ik iets en dan reageerde ze helemaal niet. Dat was voor mij vreselijk, dan ging ik echt door de grond. Als ik geen contact met haar kon maken, dat vond ik heel erg. En ze hield het soms wel twee of drie dagen vol. Dat voelde als straf, al was het niet altijd naar aanleiding van iets wat ik in haar ogen niet goed gedaan had.

Dacht je nooit: bekijk het maar?

Ja, dat heb ik diverse keren gedacht. Ik had natuurlijk geen geld, dus ik was afhankelijk van haar. Maar ik had wel altijd een retourticket (dat moest als buitenlander, omdat ik nog in Nederland ingeschreven stond) en kon dus terug naar Nederland, en als haar chauffeur had ik ook de sleutel van haar auto. Ik heb het scenario heel vaak in gedachten uitgewerkt: naar de luchthaven rijden, Roshi laten weten waar de auto stond, en weg. Maar ik heb het nooit gedaan. Dat kon ik niet. Altijd weer kwam er het moment dat ik me realiseerde dat ik haar dan in de steek liet en dat kon ik niet, want ik zag dat ik haar echt hielp en dat ik voor haar ook heel veel betekende. Dat liet ze ook echt blijken, naast al die strengheid.

 

En ze kon ook heel aardig zijn. Ze kon bijvoorbeeld ineens zeggen Heb je zin om naar de film te gaan en dan gingen we samen naar de film. Ze hield erg van uit eten gaan en ik mocht altijd mee. Dat was voor mij in die tijd bijzonder. Ze nam Thich Man Giac graag mee uit eten naar een Koreaans restaurant, daar was hij gek op.

Ons zentijdschrift werd in die tijd nog gemaakt met de typemachine, en als er iets verbeterd moest worden, ging dat met typex of met knippen en plakken. Op een dag (dat zal ik nooit vergeten) kwam ze helemaal stralend mijn kantoortje binnen met een hele grote doos en zei: Ik heb iets voor je! Ik heb een cadeautje voor je. Had ze een elektronische typemachine gekocht die voor het eerst computerelementen in zich had, met een diskette en een piepklein schermpje, waarop je kon zien wat je aan het typen was. En je kon al vrij veel digitaal verbeteren. En je zag dat ze dat zó leuk vond, om mij dat te geven voor mijn werk. Ze gaf heel graag. Ze gaf aan haar ouders, aan mij, aan Man Giac, en ook aan Sasaki roshi, hoewel ze met onenigheid uit elkaar waren gegaan. Altijd maar geven, geven, geven. Dat was haar plezier en haar aardigheid denk ik.

Kun je momenten noemen in de training waarop er voor jou opeens iets duidelijk werd?

Ja... er zijn natuurlijk van die momenten geweest tijdens sesshins, maar ik weet niet of ik dat hier nu moet zeggen, dat zijn dingen die in de meditatie en in sanzen gebeurden.

 

Maar ik weet ook nog wel een ander moment. Ik mocht aanvankelijk nooit zeggen dat ik het niet met haar eens was. Toen we bijvoorbeeld begonnen met dat zentijdschrift, was dat voor mij een koud kunstje, want ik had regelmatig op mijn werk boekjes gemaakt. Maar Roshi vond dat ik het op een andere manier moest doen. En ik zei Roshi, ik weet al hoe ik dat moet doen en toen gaf ze me toch een yell: NEEE!!!!. Er is maar één iemand hier die denkt en dat ben ik. Dus ik sprak haar nooit meer tegen. Tot op een dag dat Roshi stond te koken in het keukentje. Ik stond erbij, en we begonnen over iets te praten, ik weet niet meer waarover maar ik dacht er anders over dan zij. Opeens kwam er een enorme energie in mij, alles wat in me was kwam samen en ik knalde het eruit, ik zei wat ik er van vond. En Roshi, onmiddellijk: Dat zég je niet tegen mij. Zo praat je niet tegen mij. Maar ik voelde nog steeds die energie en die gaf me de moed om verder te gaan: Ja maar Roshi, wáárom mag ik niet zeggen wat ik er van vind. Onmiddellijk zei ze: Je mag alles tegen me zeggen, maar het moet van de juiste plaats komen. En toen begreep ik ineens wat ze bedoelde. Als ik tegen haar in wou gaan dan was dat altijd vanuit mijn verontwaardiging, of vanuit mijn kwaadheid, dus dát was eigenlijk wat ik haar gaf en níét echt dat wat ik ervan vond. Dat was ineens heel helder. En dat gaf ook een enorme ruimte. Vanaf dat moment wist ik dat ik alles tegen haar kon zeggen, maar ik moest me heel erg bewust zijn van: waar komt het vandaan, hoe zeg ik het, hoe formuleer ik het. En dat was natuurlijk niet alleen bij haar, maar bij iedereen met wie ik sprak.

Met Roshi op Noorder Poort

Haar training van jou was heel anders dan hoe jij de unsui hier op de Noorder Poort traint. Heb je het gevoel dat er daardoor ook iets verloren is gegaan, dat er iets is dat minder de kans krijgt zich te ontwikkelen?

Ik weet het niet. Vlak voor Roshi stierf, in ’99, werd ik meester, maar omdat zij maar enkele keren per jaar naar de Noorder Poort kwam, trainde ik de bewoners eigenlijk al vanaf ‘96. En dat ging aanvankelijk op Roshi’s manier en dus heel streng. Ik zat echt boven op mensen en had ook allerlei regels. Een voorbeeld: als Roshi meeat mocht je niet voor een tweede keer opscheppen voor zij dat gedaan had, of voor ze een teken had gegeven dat het mocht. Dus ik had die regel hier ook, want ik was hier de leraar. Aan dat soort dingen moet ik nog wel eens terugdenken: wat zit daarin, is dat nodig of niet. En ik vind dat een lastige, want er zit iets in waarvan ik denk dat het heel goed is: de leraar geeft jou zo een kans om respect voor de ander te ontwikkelen. En dat element vind ik heel belangrijk, dat je dat leert in die relatie zodat je het voor alles en iedereen uiteindelijk kunt gaan gebruiken. Dat je in je zelf toelaat dat je respect kunt hebben voor iemand en dat dat niets zegt over je eigen waarde of dat je daardoor minder zou zijn, of die ander meer.

 

Maar respect voor een ander is niet het slaafs volgen van een ander. Ik denk dat het oorspronkelijk ook daarom ging, maar dat dat onder invloed van de cultuur tot een heel autoritair gebeuren is geworden, en dat is volgens mij niet nodig. Ik denk dat het ook op een andere manier kan maar tegelijkertijd vind ik het ook heel erg moeilijk om dat stukje over te brengen. Ik vind zelf ook dat ik daarin tekortschiet.

 

Een voorbeeld. Ik gaf laatst een zenweekend, op een andere plek. Er was daar geen eetzaal, je schept je eten op in de keuken en zoekt een plek om het op te eten. Op een gegeven moment zat ik op een bank met een kopje thee. Iedereen was aan het eten en niemand kwam naar me toe om te vragen of ik misschien ook wat wilde eten. Dat voelde heel raar. Dat was op zaterdag. Op zondag dacht ik: ik ga het nog eens uitproberen. Ik pakte nu ook geen thee en bleef staan. Weer niets. Ook mensen die al heel lang bij mij trainen zaten gewoon lekker te eten. En ik dacht: eigenlijk is dat ook logisch want ik heb de mensen daar ook niet in getraind. En ik dacht: hoe zou ik dat nu kunnen trainen zonder dat mensen mij op een voetstuk zetten, hoger zetten, want dat wil ik niet. Maar ik zou het wel normaal hebben gevonden als ze mij gevraagd hadden: kan ik misschien een kopje soep voor je halen. Zonder mij hoger te plaatsen of dat te zien als een aantasting van zichzelf.

Ordinatie tot unsui in 1986

Roshi zelf is getraind door Sasaki en door Thich Man Giac, en die heb jij allebei gekend. Zijn er grote verschillen tussen de Rinzai zen van Sasaki en de Vietnamese zen van Man Giac?

Ik zou niet zeggen tussen Rinzai zen en Vietnamese zen, maar de verschillen tussen die twee meesters waren gigantisch, ze waren totaal verschillend.

 

Roshi is overigens nooit in training geweest bij Man Giac, zij waren ‘collega’s’. Ze bestudeerden samen teksten, spraken over gedichten, ze wisselden heel veel uit. Roshi was ook altijd heel nieuwsgierig naar de Vietnamese traditie, en hij was echt een boeddhistische geleerde. Hij heeft haar tot zenmeester gemaakt toen ze al zo’n twee jaar contact hadden, maar ze is nooit zijn leerling geweest. Het was een vriendengroepje, niet alleen met Man Giac, maar ook met bijvoorbeeld Karuna Dharma van IBMC en Maezumi roshi, en ook nog anderen. Ze kwamen bij elkaar op bezoek en gingen naar elkaars ceremonies.

 

Sasaki zat daar helemaal niet bij. Die deed daar niet aan mee, aan dat soort dingen. Die had zijn eigen toko, en that was it. Sasaki was in zekere zin volkomen ontoegankelijk. Ik heb bij hem een wintertraining gedaan, negen weken lang. Je zag hem dan alleen maar als meester in de sanzenkamer, en bij de teisho. En ik heb hem ook een flink aantal keren privé gezien, omdat Roshi en hij wel bij elkaar over de vloer kwamen en daar was ik dan bij. Ik maakte de thee en zat op de grond; zij zaten op stoelen. Want ik moest altijd lager zitten dan Roshi, dat was één van haar regels.

 

Ik heb Sasaki ervaren als een werkelijk sublieme koanmeester. Daar bedoel ik mee dat hij in de sanzen-kamer niet zit als een persoon. Het contact dat je met hem hebt over die koan, is in die zin geen persoonlijk contact. Hij zit daar als Mind en jij komt ook op een of andere manier met je Mind met die koan, en die ontmoeting is soms helemaal scheef omdat jij helemaal in je denken zit of in de dualiteit, maar hij zit altijd in die Mind, en dat is fenomenaal, echt heel bijzonder.

 

Roshi had dat ook en dat heeft ze bij hem geleerd, zeker weten. En ik denk echt dat ze wat dat betreft behoorlijk uniek waren. Heel .... profound, authentiek, in dat niet-dualiteitsaspect. Ik heb zelf natuurlijk nooit getraind bij andere meesters maar ik ken wel mensen die bij anderen getraind hebben en dat heeft die indruk bevestigd.

 

Ik heb in die wintertraining niets gemerkt van het seksuele wangedrag van Sasaki, dat toen zeker ook al speelde. Ik zag hem alleen in sanzen en tegenover mij heeft hij zich daar nooit misdragen. Ik heb er van Roshi ook nooit iets over gehoord. Ik weet dat ze vanwege onenigheid bij hem is weggegaan maar ik heb nooit aan haar gevraagd waarom – dat deed ik dus niet.

Met Sasaki roshi

Kun je zeggen waarom iemand ondanks die grote kwaliteiten toch zo de fout in kan gaan? Lijden kan veroorzaken?

Met alle voorzichtigheid zou ik zeggen: dat is een gevaar van het realiseren van de niet-dualiteit. Aan alleen de kant kiezen van Wat is het voor je weet wat het is, zit een risico. Daar zijn immers geen kenmerken, daar is iets nog niet goed of fout, daar is het nog geen pijn, nog geen misbruik. Die andere kant, daar waar kenmerken zijn, is ook nodig, de kant van goed en kwaad, van heilzaam en niet heilzaam. Die twee aspecten van de werkelijkheid sámen zijn de ene werkelijkheid. Ik denk dat het fout is gegaan omdat hij die andere kant niet voldoende respecteerde.

 

Bovendien is hij opgegroeid in een cultuur waarin de vrouw minderwaardig is. En hij heeft dertig, veertig jaar in een soort van sociaal isolement geleefd. In Japan al, in het klooster, en toen hij in 1962 naar Amerika ging, was hij meteen de meester en werd op handen gedragen. Tot aan het eind van zijn leven sprak hij nauwelijks Amerikaans. Hij had vrijwel geen contact met andere mensen dan zijn leerlingen. Hij kreeg nauwelijks feedback van anderen. En naar ik een paar jaar geleden heb begrepen, hebben sommige leerlingen, ook monniken, die wél wisten van zijn wangedrag, het niet alleen toegedekt maar zelfs gefaciliteerd. Gezorgd dat hij een leuke inji kreeg bijvoorbeeld.

 

Ik heb hem beleefd als 100% autoritair, bij het vernederende af. Ook soms tegen Roshi. Na haar eerste chemokuur (ze was toen al lang bij hem weg) gingen we op een gegeven moment terug naar Mount Baldy. Ik zie dat nog levendig voor me. Ik ging deelnemen aan een dai-sesshin en Roshi ging regelmatig op bezoek bij Sasaki. Wij verbleven gedurende de sesshin in het gastenhuisje, dat was helemaal onder aan de berg, en Sasaki woonde bijna helemaal boven op de berg. Eén van die dagen ging Roshi met veel moeite – de chemokuur had haar erg verzwakt - helemaal naar boven: ze was uitgenodigd voor thee bij Sasaki. Maar daar aangekomen werd ze door zijn inji weggestuurd, de roshi kon geen thee met haar drinken. Ik vond dat zo ongelooflijk pijnlijk.

 

Toch waardeerde hij haar ook. Een van de mooiste momenten wat dat betreft was de laatste keer dat hij bij haar op bezoek was. Ze was toen al behoorlijk ziek en lag voornamelijk op bed, maar bij die gelegenheid kwam ze even uit bed en ging in haar rolstoel tegenover hem zitten. En toen pakte hij haar pols, voelde die en zei toen: Gesshin very strong. Oh, Gesshin very strong. En dat ging niet om fysiek sterk, dat ging om veel meer. Dat was echt een statement dat hij maakte. Dat spatte ervan af. 

En voelde je bij Thich Man Giac ook de kracht van die realisatie?

Ja, die was spiritueel ook heel erg sterk, ook heel helder denk ik, maar Thich Man Giac had tegelijkertijd ook dat kind zijn, die onbevangenheid, dat lachen. Hij kon gieren van het lachen om dingen waarbij ik dacht: waar lacht hij nou om. Roshi en hij zaten elkaar vaak te plagen. Hij zei bijvoorbeeld iets van you this or you that en dan wees hij naar haar. Dan zei zij: Don’t point with your finger, we don‘t do that in America. En als zij dan die vinger van hem greep en wegduwde, moest hij ontzettend, uitbundig lachen.

 

Hij was veel toegankelijker dan Sasaki. Hij was ook heel heel aardig, ook voor mij. Maar ik heb hem natuurlijk ook in een hele andere context meegemaakt dan Sasaki roshi. Naar Sasaki roshi ging ik toe als leerling, en ik was voor hem ook altijd heel duidelijk de leerling van Prabhasa. Thich Man Giac heb ik vooral in de privésfeer leren kennen als hij en Roshi elkaar opzochten.

Met Thich Man Giac

Dus van die Vietnamese traditie vind je in onze sangha eigenlijk nauwelijks iets terug?

Nou ja, je zou kunnen zeggen dat de zachtheid die er meer in is gekomen uit de Vietnamese traditie komt. Bovendien gaf Thich Man Giac geen sesshins. In de tempel was ook geen gezamenlijk zitten, alleen soms gezamenlijke chanting. De monniken mediteren allemaal alleen op hun kamer, zittend op bed. Roshi introduceerde als eerste meditatie voor bezoekers van de tempel, en dat was loopmeditatie. Voor zitmeditatie waren er geen spullen, er waren geen matten of kussens in de tempel.

Wat is het belangrijkste wat je van Roshi geleerd hebt?

Jeetje, dat is wel een moeilijke vraag, hoor. Dat is natuurlijk niet één ding. Niet per se iets dat ik van haar geleerd heb, want je kunt het niet van iemand leren denk ik, maar wel iets waarvan ik door haar heb gezien hoe belangrijk het is, dat is helder zijn. Dat heeft te maken met in je midden zijn, stabiel zijn in de geest, wakker zijn. Dat houdt in dat je een situatie overziet. Dat je je realiseert wat er allemaal in een situatie is en wat ermee verbonden is, niet alleen in dit moment maar ook in een volgend moment. Een simpel voorbeeld, wat ik echt letterlijk zo van haar geleerd heb: in Amerika is een douche ook altijd een bad en dan kun je het water overzetten van boven naar beneden. Als je gedoucht hebt, en je laat de kraan op boven staan, dan krijgt de volgende die onder de douche gaat en die kraan aanzet, meteen een plens water over zich heen. Dus als je helder bent, dan realiseer je je dat je na het douchen die knop weer om moet zetten, zo dat het water er weer beneden uitkomt. Dat soort dingen. Daar was ze heel erg goed in.

Tot slot. Roshi had een enorm repertoire van anecdotes en moppen. Kun je er daar een paar van vertellen?

Een heleboel van die moppen kreeg ze van haar katholieke vrienden.

 

Een voorbeeld: er komt een stel katholieke nonnen bij de kassa in de supermarkt. Bij hun boodschappen zitten ook een paar blikjes bier. Zegt de man achter de kassa: nou, zusters, bier, mag dat wel? Nee, nee, zeggen de nonnen, het is niet wat je denkt, dat is om ons haar te wassen, daar krijg je mooie krullen van. Waarop de kassier een pakje zoutstengels pakt en zegt: nou, dan heb ik hier nog een paar krulspelden.

 

Of deze: een stel mensen gaat parachutespringen. Bij de instructie wordt gezegd: als de parachute niet opengaat, moet je maar tot God bidden, dan gaat hij wel open. Bij de groep zit ook een boeddhist. Die stapt uit het vliegtuig en op het moment dat de parachute open moet gaan: niets. Dus hij volgt de instructie op en bidt: alsjeblieft, God, alsjeblieft, help me, laat de parachute opengaan. En ja hoor, hij gaat meteen open. Waarop de boeddhist uitroept: Dank Boeddha voor God! En boem, daar klapt de parachute weer dicht.

Dit moment is een geschenk

Deze toespraak van Prabhasa Dharma zenji uit 1987 is afkomstig uit het boek Boeddha ben je zelf, uitgegeven door Asoka in 2006, ISBN 90 5670 068 5. Het boek is uit druk maar nog te verkrijgen bij de Noorder Poort en via enkele webwinkels. Het copyright van deze toespraak berust bij Asoka; wij publiceren die hier met hun toestemming.

Prabhasa Dharma 1990

Dit moment is een geschenk

Deze retraite heeft een naam met een dubbele betekenis: The Golden Present, wat zowel Het Gouden Geschenk als Het Gouden Heden kan betekenen. Is het een geschenk? Is dit een gouden moment? Een moment is een heel vaag begrip. Hoe weten we wat een moment is? Over welk moment praten we? Hoe lang is een moment? Waar komt het vandaan en waar gaat het naar toe? Hoe ontstaat het en hoe verdwijnt het? En: ontstaat het eigenlijk wel en verdwijnt het ook weer echt? Eén ding is zeker: alles gebeurt altijd in het huidige moment, toch? Of we ons nu richten op de toekomst of nadenken over het verleden, we doen dat altijd in dit huidige moment. Dus, in werkelijkheid is er geen verleden en evenmin een toekomst. Die bestaan alleen maar in onze denkende geest, beter gezegd: in ons bewustzijn.

 

Jullie weten dat ik uit de zen-boeddhistische traditie kom. Welk spiritueel pad je ook volgt, wanneer je kijkt naar het ontstaan ervan kom je altijd bij dezelfde bron uit: de bron van alles. Die weg  terug naar de bron, is de weg van zen. Zen betekent niet meer dan ‘meditatie’, maar wel een specifieke vorm van meditatie. Binnen zen proberen we dat niveau van bewustzijn te realiseren, waar het onderscheid tussen verleden, heden en toekomst nog niet bestaat. Dit ongedeelde is altijd en overal aanwezig. Wanneer wij ons dat realiseren, ontstaat er een groot gevoel van opluchting. Deze realisatie bevrijdt ons van het idee dat we iets moeten doen om er te komen of om het te krijgen.

 

Heb je ooit geprobeerd om een moment te grijpen? Waarschijnlijk wel. We proberen het de hele tijd met onze camera’s en andere technische instrumenten. De Boeddha heeft eens gezegd dat wat wij een moment noemen, of een cyclus van geboorte en dood, een vijfenzeventigste deel van een seconde duurt! Kun je je voorstellen hoe lang of hoe kort dat is? Een keer knipperen met je ogen zou je een moment kunnen noemen, een ogenblik.

 

Callligrafie Prabhasa Dharma - Only this

Calligrafie van Prabhasa Dharma zenji

Een zenmeester wandelde eens met zijn leerling in de bergen. Die leerling werd later ook een beroemde zenmeester. De meester heette Baso en de leerling Hyakujo. Toen ze over een pad op de berghelling liepen vloog er een zwerm wilde ganzen over. Meester Baso keerde zich naar Hyakujo om en vroeg: “Waar zijn ze naar toe gevlogen?” Hyakujo antwoordde: “Ze zijn weggevlogen, meester!” Op dat moment greep meester Baso Hyakujo bij de neus en draaide die om. Hyakujo schreeuwde het uit en meester Baso riep: “Waar zijn ze NU!”

Waar ben jij NU, op DIT moment? Ben je in Santa Barbara? Ben je in het Casa de Maria, zit je in deze kapel? Waar zijn jullie? Op welke momenten sinds ik hier binnenkwam, was je werkelijk jezelf?

 

De meeste mensen hebben een of twee voornamen en een achternaam. En dan hebben we allemaal nog die andere namen die onze vrienden en onze familie ons geven. Ik heb veel namen van mijn leerlingen gekregen – ik ken ze niet allemaal. Maar ieder ogenblik zijn wij iemand anders, ieder moment zijn we elk-ander. Als ik spreek over DIT moment betekent dat: hier, nu, zoals het is. Maar dan is het alweer weg. Om het te vatten of om het gewaar te zijn, moeten we er dieper in doordringen. We moeten een staat van bewustzijn binnengaan waarin we de snel veranderende, opeenvolgende ogenblikken ervaren en tegelijkertijd de ruimte waarin niets beweegt. We zijn in een tijdloze, ruimteloze ruimte – ook wij, nu, hier! Wanneer niets ons bezighoudt, wanneer al het beredeneren gestopt is, al is het slechts voor een enkel ogenblik, dan zijn we er meteen. We vallen samen met de adem van het universum; waarin alles één grote beweging is van ‘inademen en uitademen’. We rijzen en dalen met de gehele schepping en gedurende één moment verdwijnen we met de hele schepping. Dus van moment tot moment komen we voort uit het Al en keren daar vervolgens weer naar terug.

 

Er bestaat een toestand die we onsterflijkheid noemen. In zijn manifeste vorm echter is dit de vergankelijke, steeds weer veranderende wereld van vormen. Wat blijvend is, is het proces. Dit proces noemen we Dharma, ofwel de kosmische wet. Als gevolg van deze wet ontstaan gebeurtenissen en verdwijnen ze weer. Er is dus deze wonderbare ruimte, een reusachtige moederschoot, waaruit alles ontstaat en die altijd alles weer in zich opneemt. Dit ‘alles wat in een ogenblik verschijnt’, ben ik zelf. Jullie zijn het zelf, en ofschoon ik hier misschien wel meer dan honderd hoofden voor mij zie, zijn het allemaal hoofden van een en hetzelfde lichaam.

 

Foto bij toespraak Prabhasa Dharma zenji

 

Dus, als we spreken over DIT ogenblik, moeten we in een toestand verkeren van gewaar zijn en van wakker zijn. In deze toestand van algeheel gewaarzijn, zijn we niets anders dan het kosmische proces zelf. In een ogenblik, in een flits, onthult dit proces aan ons DIT moment zoals-het-is. Niet zoals ik wil dat het is maar zoals-het-is. Onmiddellijk daarop  keert dit bewustzijn terug tot zijn oorsprong waarin wij verenigd zijn met alles en is er een moment van niet-weten, van volledige, uiterste rust en vrede. Dit is onze ware aard en daarin bestaat geen tegenstelling tussen leegte en vorm, rust en activiteit. Vandaar dat we in zen zeggen: “Terwijl we inactief zijn, zijn we bezig; en terwijl we actief zijn, zijn we inactief, ofwel in ruste”. Wanneer wij volledig stil zijn, zoals wanneer we mediteren, kunnen we voor het eerst waarlijk de dynamische, kosmische activiteit ervaren die wij zelf in werkelijkheid zijn.

Uiteindelijk bestaat er in de absolute werkelijkheid geen tijd en ruimte. Wij kunnen dus nooit verdwalen. Wij weten altijd waar we zijn, waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan, ieder moment. Omdat Hyakujo nog niet zo wakker was, moest de meester hem wel bij de neus grijpen en die omdraaien, om hem ter plekke te doen beseffen waar hij was en waar de ganzen waren. Begrijp je wel?

 

Hoe dieper ons besef van vergankelijkheid en verandering, des te meer zijn we voldaan en tevreden over wat we hebben en wat we zijn. Als je jezelf een moment stilhoudt en diep bij jezelf naar binnen kijkt, tot aan de wortel, dan zul je onmiddellijk volledige gewetensrust ervaren, volledige vervulling. Op dat moment is het zoeken naar iets anders opgehouden. Het is op dit moment volmaakt, niet waar? Hou het dus zo. HET is volmaakt! Soms ook, ben ik niet zo volmaakt; wanneer ik denk, begeer en mij afwend van het zelf.

 

Realiseer de zo-heid van dit moment, nu meteen, voordat de hunkerende, piekerende, verlangende geest komt en zegt: “Jawel, maar ik wou dat het anders was, ik wou dat het warmer was, ik wou dat het koeler was, ik wou dat er meer zon was, ik wou dat ik meer geld had”. Dat is onze dagelijkse soetra! Zie je, hoe we om onszelf kunnen lachen? Als we naar onszelf kijken en onszelf hierop betrappen, moeten we lachen. Op dat moment ben je al vrij. Je bent bevrijd en dat is alles wat je nodig hebt. Alleen DIT moment; het is ALTIJD alleen maar DIT moment.

De Japanse zenmeester Dogen verwoordde vergankelijkheid in het volgende gedicht:

 

De maan weerspiegeld in een dauwdruppel,

afgeschud van de snavel van een kraanvogel.

 

Ontwerp voor porseleinen bord – eind 19e eeuw

In één ogenblik, in een flits van bewustzijn, omvat Dogen deze hele weidse, kosmische gebeurtenis. Dit komt voort uit een geest die dit  moment bewust beleeft. Over deze geestesgesteldheid beschikken we allemaal. Het is niet iets bijzonders dat aan enkele mensen is voorbehouden. Maar voordat we volledig ontwaakt zijn, beseffen we het alleen wanneer we het van anderen horen of in zo’n mooi gedicht lezen. We komen naar meditatieretraites om een beetje meer, of misschien wel helemaal, wakker te worden. Om te ontwaken tot deze werkelijkheid, die geheel en volledig is, en om zelf zo’n gedicht te worden.

 

Over twee dagen is het nieuwjaar. Misschien hoef je voor het eerst in je leven dit jaar geen goede voornemens te maken. Je hoeft jezelf daar niet mee te belasten. Dus doe dat alsjeblieft ook niet, want als je het wel doet, mis je het weer. Om DIT moment te realiseren, moeten we onze geest vrij maken, onafhankelijk, helemaal aanwezig, en springlevend! Werkelijk leven houdt sterven in. Niemand hoort dat graag, maar zo is het nu eenmaal. We hoeven het echter niet direct sterven te noemen, je kunt het ook ‘verdwijnen’ noemen, bevrijd worden, je vrij bewegen van dit ogenblik naar het volgende. Het is net als met schakelen. Als je van de derde naar de vierde versnelling wilt, moet je eerst naar z’n vrij. Je bevrijdt als het ware de derde versnelling van zijn derde versnelling natuur. Door hem eerst vrij te maken, kan hij vervolgens de vierde versnelling worden. We zien die vrijstand, het niet-zijn, de niet-gebeurtenis niet. Toch zullen we daaraan moeten wennen, aan niet-iets, nul, niet-vorm.

 

Dit niet-zijn, deze leegte moeten we niet tot object maken. Wanneer we dat toch doen, is het geen leegte meer. Leegte op zichzelf bestaat niet; het kan slechts verwerkelijkt worden door vorm. De uiteindelijke modus van vorm is niet-vorm en daarom kunnen de dingen veranderen; daardoor is er elk moment een volledig nieuw, fris en opzienbarend ontstaan van het universum. Ieder ogenblik is een kosmisch gebeuren dat nooit en te nimmer terug zal keren – niet op dezelfde manier. Maar we moeten oppassen dat we dit hele proces niet buiten onszelf projecteren. We moeten ons realiseren dat dit de activiteit is van ons bewustzijn of, als je wilt, van het Zelf, de oorspronkelijke staat van de geest, van de Boeddha-natuur, de Verlichte.

 

Op zekere dag, kwam er een leerling bij meester Hyakujo en vroeg: “Meester, wat is het meest verheven en wonderbaarlijkste in deze wereld?” Hyakujo antwoordde: “Alleen hier op deze berg zitten”. Hij sprak alleen maar over DIT moment toen de monnik hem de vraag stelde. Je moet het antwoord van Hyakujo niet verkeerd begrijpen, hij bedoelde niet: “O, ik ben een kluizenaar, ik heb mijn thuis hier, ver weg van de wereld en ik ben heel gelukkig”.

Zoals gebruikelijk was in China en in de meeste andere landen, werd Hyakujo genoemd naar de berg waarop zijn klooster stond. Hyaku betekent ‘honderd’ en jo is een maat zoals ‘vadem’, dus: een berg van honderd vadem. Je zou het ook kunnen vertalen met ‘hoogste piek’. Je bent nu hier en jij moet je hoogste top realiseren of je diepste thuis. Of je nu in deze kapel zit, of in de eetkamer, of op het toilet; je zit altijd op de hoogste piek. Je hebt altijd een topervaring! Echter, dit betekent niet dat we onszelf verliezen in onze emoties, gemoedsstemmingen of problemen.

 

 

Het universum heeft geen problemen, de wolken hebben geen problemen, vogels en bloemen hebben geen problemen. Alleen wij mensen hebben problemen. Waarom? Omdat wij dènken dat wij problemen hebben! Dus concluderen we dat we alleen maar hoeven te stoppen met denken. Helaas, dat is onmogelijk! Probeer het dan ook maar niet! Laat je gedachten maar gewoon gaan, zoals de wolken langs de hemel trekken. Zie ze, laat ze gaan en blijf bij je adem in plaats van met je emoties en gevoelens mee te hollen. En als je over iets moet nadenken, blijf dan bij je gedachten. Als je eet, blijf bij het eten, alleen maar eten. Denk er niet over na. Dan zul je snel alleen DIT realiseren. Zeg steeds tegen jezelf: “alleen dit, alleen nu”. Wees je bewust dat je loopt, zonder er iets van te denken. Op die manier kom je aan de top. Misschien word je zelfs president van de Verenigde Staten van Amerika! Alleen dit, en als je president bent, is het ook alleen dit! Ik hoop dat je dit doet, want we hebben een goede president nodig!

 

Geniet van dit moment: het is helemaal van jou. Met al zijn pracht en praal, met al zijn ellende en pijn, ook dat is helemaal van jou. Als wij volledig dit moment beleven, zonder reserves, en zonder iets van onszelf achter te houden, dan zijn we klaar om volledig met dit moment te verdwijnen als het voorbij gaat, en ook om herboren te worden met het volgende moment. Dat vereist nog iets anders en dat is: geen keuzes maken. Als we spelen met kiezen, spelen we met verliezen. We moeten ons oefenen in het geen keuzes maken en leren leven met het zo-zijn, met de zo-heid van de dingen, dan zullen we gelukkig zijn met wat er is. Dat is onze redding uit de ellende die wij zelf scheppen door een begerig leven te leiden. Meester Rinzai placht tegen zijn monniken te zeggen: “Waar ontbreekt het je aan op dit moment? Het enige wat je mist, is zelfvertrouwen”. De hele dag door beweegt een vrij mens zich van binnen naar buiten en van buiten naar binnen via de zes poorten van zijn zintuigen: ogen, oren, neus, tong, lichaam en bewustzijn. Dat is onze ware aard: hij kan deze kant op kijken, hij kan die kant op kijken; hij kan dit doen of dat doen. De ware aard raakt nooit op. Jij kunt ‘hem’ niet opgebruiken, want je bent ‘hem’ zelf, zelfs nu. Ook als je niet helemaal begrijpt waar we het over hebben, dan nog ben je ‘hem’, helemaal, honderd procent. Het ontbreekt je aan niets

.

Hyakujo zei: “Het wonderbaarlijkste in deze wereld is, hier in je eentje op deze berg zitten”. Als je dat nu, op dit moment, kunt verwezenlijken,  dan heb je, misschien voor één moment, de hoogste waarheid verwezenlijkt, de ultieme werkelijkheid. Terwijl ik hier zit op de top van deze berg in volledige vrijheid, vrij van alle zorgen, ben ik toch tegelijkertijd deze vrouw van zesenvijftig jaar, met grijze haren, met deze kleren aan, enzovoort. Er is niet langer een onderscheid tussen het heilige en het aardse. Zie je dat? Het is één! Er bestaat absoluut geen scheiding, geen conflict; er is niets te bereiken en niets te zuiveren.  De leerlingen van Jezus kwamen eens naar hem toe en zeiden: “Meester, laat ons vandaag vasten en bidden”. En Jezus antwoordde: “Wat heb ik gedaan, dat ik zou moeten vasten en bidden?” Ieder moment moet je zo leven dat je niet hoeft te bidden om andere, betere momenten en dat je niet hoeft te vasten of te berouwen.

 

Het punt is dat we niet kunnen falen. Een geest die leeg is en die geen voorstellingen heeft, kan niet falen. Niets is veiliger dan een lege geest, niets is veiliger dan een niemand! Zoals de Boeddha eens gezegd heeft: “Waar niemand thuis is, kun je geen pakketje afgeven”. Dat gaat over ons ego. Als we ego hebben, zullen er allerlei dingen op ons af komen en blijven hangen. We komen vast te zitten en hebben DIT moment gemist. Dan hebben we onszelf in verwarring gebracht. Er is niet iemand anders die ons misleidt. Niemand kan ons terneer drukken of de hemel in prijzen, omdat de oorspronkelijke staat van de geest vrij is van zulke dingen. Als je zegt: “O, idioot die je bent!” Wat hoor je dan?  “O, idioot die je bent!” Het is net een echo. Er is geen betekenis. Jij geeft het een betekenis. Het is hetzelfde als zeggen: “O, mijn lieveling”. Dat klinkt in mijn oren hetzelfde: dezelfde stem, dezelfde geest. Als je dus diep genoeg gaat, zijn alle idioten jouw lievelingen! De oorspronkelijke staat van de geest staat boven elke dualiteit van volmaaktheid en onvolmaaktheid. Die oorspronkelijke staat is nu op dit moment aanwezig. Jullie hebben hem allemaal. Gebruik hem alsjeblieft.

 

Glimlach, glimlach iedere dag; dat is het begin. Doe ’s morgens je glimlach op zoals je je gezichtscrème opdoet. Tover een glimlach op je gezicht en je voelt je al een stuk beter. Je weet namelijk dat je een Boeddha bent en Boeddha’s glimlachen. Ook de eerstvolgende die je tegenkomt, is een Boeddha. Het doet er niet toe welke eigenaardigheden die persoon heeft, het doet er ook niet toe in welke stemming hij of zij is. Je laat je niet leiden door stemmingen, je laat je slechts leiden door Boeddha’s, door de ontmoeting van hart tot hart. Het enige wat er gebeurt is dat we elkaar ontmoeten en weer uit elkaar gaan. Ontmoeten en uit elkaar gaan. Honderden duizenden jaren doen we dat al. Wij hebben elkaar allemaal al ontmoet. Ik ken jullie heel goed. Mensen zeggen wel eens tegen mij: “Ik ken u!” En dan zeg ik: “Ja, dat klopt”. Ik weet zeker dat jullie dat ook wel eens overkomen is: je ontmoet iemand en je denkt dat je hem of haar al eens eerder hebt ontmoet. Wij hebben elkaar nooit ontmoet, maar we zijn ook nooit uit elkaar gegaan. Wij zijn alomtegenwoordig omdat we de oorspronkelijke geest zijn. Het maakt niet uit hoe wij daar tegen aankijken, het komt toch altijd goed. In essentie zijn wij goedheid. Maak dat waar, laat het zien, straal het uit.

 

Nu kunnen we gaan genieten en spelen. Dat wens ik jullie toe voor deze retraite. Herinner je dit ook als de retraite weer voorbij is en je misschien weer terugkeert naar moeilijke omstandigheden. Tenslotte houdt menselijk leven ook lijden in. Echter, nu beseffen we dat er iets is dat niet wordt aangetast. Iets stijgt boven geboorte en dood uit, boven lijden, pijn en vreugde. Het is tijdloos, moeiteloos en kent geen dood. Ik hoop dat je dit volledig zult zien met je ‘wijsheidsoog’. Maar zien alleen is niet voldoende. We moeten er ook door veranderd worden en het vervolgens leven in DIT ogenblik. Dat leren we in de zen beoefening. Maar ik ben er zeker van dat jullie het ook hier kunnen leren. Dus, als je de taak krijgt om bijvoorbeeld de hal aan te vegen, veeg dan gewoon jezelf weg! Veeg dan zo dat dat wat er overblijft niets anders is dan ‘vegen!’ en niet meer: “Ik ben aan het vegen”. Dan is er geen enkel probleem, dat beloof ik je, en we zullen nooit meer oorlog voeren in deze wereld. Moge er vrede zijn met jullie.